|
Er gaan een hoop fabeltjes de wereld rond over orgaandonatie en jammer genoeg zijn er een hoop mensen die hierin geloven. De werkelijkheid ziet er echt heel anders uit:
Hieronder hebben wij een aantal fabeltjes opgesomt, met goede tegenargumenten. De meeste van deze fabeltjes zijn afkomstig uit het themablad van de NIGZ.
“Ik ben ziek, aan mij hebben ze niks”
Dat is niet zo. Ook registratie als donor door zieke mensen is zinvol. Het gaat bij donatie namelijk om meerdere organen en weefsels. Daarom is het ook voor iemand met een bepaalde ziekte of iemand die medicijnen gebruikt, zinvol om ‘ja’ te zeggen tegen donatie. Als door een ziekte of medicijngebruik een bepaald orgaan of weefsel niet geschikt is voor donatie, dan blijven vaak nog andere organen en weefsels over die wél in aanmerking kunnen komen. Pas als iemand is overleden kan een arts vaststellen of organen en weefsels geschikt zijn om te transplanteren. Meerdere factoren bepalen deze geschiktheid, zoals het moment, de plaats en de oorzaak van het overlijden.
“Ik hoorde dat je als homo geen donor kan zijn”
Dat is een hardnekkig misverstand. Iedereen kan zijn keuze laten registreren in het Donorregister. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen homoseksuele en heteroseksuele mensen. Homoseksualiteit is een standaard leefvorm in Nederland en geldt dan ook niet als uitsluitingsgrond. Wél een uitsluitingsgrond voor donatie is risicovol seksueel gedrag. Dat heeft te maken met een verhoogd risico op infectieziekten, zoals HIV. Nadat iemand is overleden vraagt een arts daarom aan de familie of nabestaanden of de overledene behoorde tot een risicogroep voor HIVoverdracht. Het maakt daarbij niet uit of deze persoon een partner van hetzelfde geslacht had. Ook bij de vrouw van een mannelijke donor wordt dit in principe gevraagd.
“Ik ben te oud om nog donor te kunnen zijn”
Dat hangt er maar vanaf. Als u 80 jaar of jonger bent wanneer u overlijdt dan is er een grote kans dat u nog een orgaan of weefsel kunt doneren. Pas op het moment van overlijden stelt een arts vast welke organen en weefsels nog geschikt zijn voor transplantatie.
“Een donor wordt ook gebruikt als proefkonijn”
Een donor is geen proefpersoon. Gedoneerde organen en weefsels worden uitsluitend gebruikt voor transplantatie. Soms blijkt een orgaan of weefsel na uitname tóch niet geschikt te zijn voor transplantatie. Alleen in dat geval kan het betreffende orgaan of weefsel worden gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek dat gericht is op kennis over transplantatie. Dus niet voor overig onderzoek.
“Als je donor bent doet een arts niet meer zo goed z’n best voor je”
Natuurlijk wel! Waarom zou een arts voorrang geven aan de ene patiënt boven de andere? Een arts doet er alles aan om het leven van zijn patiënt te redden. Bovendien weten artsen van te voren niet óf en welke organen en weefsels geschikt zijn voor donatie. Dat weten ze pas als dit is onderzocht nadat iemand is overleden. In Nederland is de arts die het overlijden constateert overigens niet betrokken bij een eventuele transplantatie. Bij een transplantatie komt meer kijken dan alleen de beschikbaarheid van een orgaan. Het is bijvoorbeeld heel belangrijk dat het weefseltype en de bloedgroep van de donor en ontvanger zo goed mogelijk overeenkomen; dit luistert heel nauw. Als een orgaan niet bij iemand past, wordt het weer afgestoten. Zomaar een nier of lever aan een willekeurig persoon geven werkt dus niet.
“Je bent niet meer toonbaar na donatie”
Dat klopt niet. Het uitnemen van organen en weefsels gebeurt met grote zorgvuldigheid en met respect voor de overledene en de nabestaanden. Iemand die donor is geweest, ziet er na de operatie weer net zo uit als daarvoor. Huid of ander weefsel wordt nooit weggenomen van bij het opbaren zichtbare delen zoals gezicht, hals of handen. Na orgaandonatie kan de donor er wel erg bleek uitzien. Dit kan echter worden gecamoufleerd door het ziekenhuispersoneel of een begrafenisonderneming. Na donatie kan de overledene altijd worden opgebaard, thuis of in een uitvaartcentrum, om daarna te worden begraven of gecremeerd. |



